Ferdinand

Een tijdje terug, tijdens een muziekfestival diep in de Achterhoek, kwam ik Ilse weer tegen. Ilse zat zo’n vijfentwintig jaar geleden bij mij in de klas, groep 5/6 van De Hoeksteen in Groenlo. In dat vestingstadje heb ik mijn eerste stappen gezet in het onderwijs en als zelfingenomen jongeling meer dan eens mijn neus gestoten.

In Groenlo leerde ik hoe belangrijk de planning van huisbezoeken was – ik deed er drie op een avond. Door schade en schande leerde ik dat je nooit moest beginnen bij leerlingen waarvan de ouders werkzaam zijn bij de bierbrouwerij ‘Grolsch’. Dan werd het een zware avond.

Ik leerde er dat je niet zomaar de verwerking van een rekenles kunt stilleggen, omdat het te stil is in de klas en dat nú de ‘Pindakaassong’ gezongen moet worden.

Ook kwam ik erachter – veelal door de ouders – dat kinderen uit groep 5/6 niet allemaal emotioneel klaar zijn om op jouw verjaardag een video van Eddie Murphy te bekijken.

Toen ik Ilse weer tegenkwam, ze stond met een biertje in haar hand te genieten van een lokale bluesband, kwam een beladen herinnering naar boven. Eentje die prompt mijn kaken rood kleurde. Eentje waarvoor ik mijn excuses moest gaan aanbieden.

Indertijd was Ilse een schat van een leerling, die altijd alle tijd nam voor alles wat zij deed. Voor een ongeduldige meester als ik een ramp. Of het nu rekenen was, taal, schrijven of zelfs het maken van een tekening, ze keek eerst in peilloze dieptes en organiseerde in een soort trance haar werkomgeving. Voordat er ook maar één som gemaakt was, moest eerst op haar tafeltje alles recht worden gelegd. Haar rode pennenbak stond rechts uitgelijnd, het kladblok links en precies in het midden het werkboek. Daaronder lag het schrift.

Ik heb jarenlang gedacht dat Ilse landmeter zou gaan worden. Of meubelmaker. Ergens vermoedde ik in Ilse een doorontwikkeld, bionisch timmermansoog.

Haar voorbereidingen namen zoveel tijd in beslag dat er pas aan de sommen werd begonnen als de helft van de klas al klaar was. En ik al drie keer tegen de muur opgelopen was.

Meer dan eens spoorde ik haar aan:

            ‘Toe Ilse, ga eens aan het werk!’

Dan keek ze me aan, nee, dan keek ze dwars door me heen en zette haar pennenbakje een fractie naar rechts. En die stond al prima!

            ‘Kom op!’

Van ongeduld klapte ik in mijn handen.

Pas veel later begreep ik dat ze al keihard aan het werk was.

Het willen maken van excuses betrof echter niet deze pedagogisch-didactische miskleun of mijn gebrek aan kennis wat betreft breinontwikkeling van jonge kinderen. Toen ik Ilse weer zag na zoveel jaren, moest ik denken aan haar kleurpotloden.

Destijds kende mijn klas het ‘inloopuurtje’. Vanaf 08.00 u konden de leerlingen de klas in en lag er werk klaar op hun tafeltjes. Werk waarvan ik dacht dat het paste bij de specifieke ontwikkelingsbehoefte van elk van mijn leerlingen. Ilse begon ook in het inloopuurtje nooit direct aan het werk dat ik voor haar op tafel had gelegd, netjes naast de rode pennenbak. Of het nou redactierekenen was, de topografie van Drenthe of lezen uit ‘Snuf, de hond’, ze ging eerst uitgebreid al haar kleurpotloden slijpen. Elke ochtend begon zij met hetzelfde ritueel, het slijpen van al haar kleurpotloden. Alle potloden moesten allemaal dezelfde lengte hebben. Als ze daags ervoor veel blauw had gebruikt, moest oranje er ook aan geloven. Moest geel weer worden bijgepunt, alle potloden zaten in hetzelfde schuitje.

Ook voor het slijpen nam Ilse alle tijd. Was de klas bezig zichzelf tegemoet te komen aan de specifieke ontwikkelingsbehoeften, hing ik al vier keer op mijn kop in de gordijnen, Ilse sleep dapper door, onverstoorbaar en altijd met een soort Mona Lisa-glimlach.

Voor de kleurpotloden had Ilse een houten bakje, vierkant. Na het slijpen werden de potloden in dit bakje geplaatst en wezen zij scherpgeslepen, als een raketinstallatie uit Noord-Korea, naar het krijtbord. Als alles even lang, even scherp en even recht in het bakje stond, knikte Ilse tevreden en opende zij het boek dat op haar tafel lag en ging zij aan het werk.

En nu komt het, nu komt het moment waar ik niet trots op ben.

Tijdens het inloopuurtje liep ik mijn vaste rondes door de klas. Om kinderen te helpen, het gemaakte werk alvast na te kijken, schouderklopjes uit te delen en bemoedigende woorden te fluisteren. Als ik langs Ilse liep, kon ik me nooit inhouden en tikte ik in het voorbijgaan haar raketinstallatie door elkaar. Alle kleurpotloden, op kleur gerangschikt, lagen door elkaar in het houten bakje en wezen alle kanten op. Ilse werd nooit boos op mij, bleef Mona Lisa, legde haar pen neer, zuchtte even en rangschikte opnieuw haar kleurpotloden.

Toen ik Ilse op het festival mijn excuses daarvoor aanbood en een biertje, moest ik haar vertellen waarvoor de verontschuldigingen waren. Dat van de potloden wist ze niet meer, wel dat ik een plagerige meester was. Liefdevol jennen, noemde ze het.

            ‘Je had altijd aandacht voor me, ook als je aan het klieren was!’

De Pindakaassong kende ze nog, woord voor woord.

Ik kon wel huilen.

Toen ik deze week in de kinderhoek van de Albert Heijn, in het voorbijgaan het scherm, waarop een lief kind een tekening inkleurde, op zwart zette, viel dat niet in de categorie ‘liefdevol jennen’. In plaats van met de glimlach van Mona Lisa keek het kind beteuterd op. Ilse, hoe geduldig zij ook met mij was, zou dit nooit hebben goedgekeurd. Zij zou dit nooit hebben goed gepraat met ‘aandacht hebben voor’.

Ik snapte volkomen dat de vader van dat meisje mij, in het gangpad met Oosterse gerechten, te lijf wilde gaan met een grote pot Indiase Kerriesaus.