Een mammoet schoot je destijds ook niet in je eentje.

Vanmorgen reed ik naar mijn werk en werd ik overvallen door de gedachte dat de mens misschien niet gemaakt is voor samenwerking. Dat dat dna-achtig bepaald zou zijn en dat we tegen beter weten in samen willen werken, maar niet door hebben dat het eigenlijk onmogelijk is. Dat het buiten onszelf ligt en er niks aan kunnen doen dat samenwerken vaak zo moeizaam gaat.

’s Morgens, net wakker en op weg naar Apeldoorn, word ik wel vaker overvallen door dit soort onredelijke gedachten. Moeten we onderwijzend Nederland echt opdelen in onderwijsregio’s? Wie wordt daar beter van? Is de kleinescholentoeslag nog wel van deze tijd? Is vrijheid van onderwijs echte vrijheid of houden we elkaar in een dogmatische houdgreep? Is er echt sprake van werkdruk in het onderwijs of kunnen we gewoon niet plannen? Waarom werken we zo weinig samen met innovatieve bedrijven? Waarom jagen wij de juffen en meesters uit de scholen?

Nee, vanmorgen was ik niet op mijn best.

Maar goed, terug naar die eerste verontrustende gedachte: de mens en diens bereidheid om samen te werken. Die is er niet of mondjesmaat. Hoe komt dat?

Toen ik vroeger, schouder aan schouder, met mijn vader aan het metselen was, legde hij vijfentwintig bakstenen en ik drie. Dat schoot niet op.

            ‘Laat mij maar,’ zei hij korzelig.

Ik mocht de betonmolen schoonmaken en mijn vader maakte de muur af. ‘Samen’ op het steiger was het wachten op elkaar, ‘alleen’ ging veel sneller.

Alleen is ook grip houden op het werk dat gedaan moet worden.

            ‘Laat mij maar, want dan weet ik zeker dat het (goed) gebeurt.’

Samen is veel te afhankelijk van elkaar. Samen vraagt vertrouwen in elkaar en in de kwaliteit van elkaars werk. Doodeng.

Alleen is ook positie en status. Het is zelfs macht.

            ‘Laat mij maar, want dit kun jij (nog) niet.’

Het delen van kennis en vaardigheden is jezelf ondergeschikt aan een groter belang dan die van jezelf. Het is het afbreken van eigen positie, status en macht. Dat wil niemand. Daar is geen mens op berekend.

We hebben nog onvoldoende door dat het grotere belang – het gemeenschappelijk belang – correleert met het eigenbelang. Het gemeenschappelijk belang en het eigenbelang kunnen elkaars beste vrienden zijn. Maar waarom zien we dat niet?

Als ik achter mijn bureau zit, zet ik het op een rij. Mijn onredelijke gedachten verdwijnen spoorslags als ik het een en ander op een rij zet. Werkt altijd.

  1. Door meer samen te werken, leren we van elkaar, maken we elkaar beter in ons werk. Door samen te werken wordt kennis gedeeld en nieuwe ideeën of andere inzichten opgedaan.

Soms is het delen van kennis en vaardigheden niet evenredig; mijn vader was veel vaardiger in het metselwerk. In ons geval was er sprake van een samenwerking tussen meester en leerling. Ik leerde het vak, mijn vader leerde antwoorden te geven op mijn vragen. En om geduld te bewaren.

  • Samenwerken bevordert een gevoel van gemeenschap – iedereen draagt op zijn manier een steentje bij aan de te metselen muur, het gezamenlijke doel. Er ontstaat een cultuur waarin mensen elkaar ondersteunen in het werk, elkaar respecteren en waarderen. Hetgeen motiverend werkt.

Ik was trots op mijn drie stenen – ze lagen keurig in de specie, niet gekanteld en scherp aan het metselkoord en voorzien van stootvoegen van 5 mm. En als mijn vader goedkeurend naar mij knikte, legde ik vier stenen in de volgende laag. Want goedkeurende knikjes is net als applaus: daar krijg je nooit genoeg van.

In een verkregen cultuur, waarin het gemeenschappelijk belang leidend geworden is, is het maken van fouten niet erg.

            ‘Laat mij maar, jongen,’ zei mijn vader als het metselen even niet ging, ‘Die laatste steen leg ik wel.’

Dan ging ik met een vrolijker gemoed de emmers schoonmaken of stenen bijzetten. Je kunt niet elke dag vijf stenen willen leggen als je veertien bent. Morgen gaat het vast beter.

Samen doe je meer, kun je meer, beteken je meer. Samenwerken leer je pas als je gaat samenwerken. Samenwerken is loslaten dat je het alleen beter kan. Een mammoet schoot je destijds ook niet in je eentje.