
Twee meiden komen mijn kamer binnengelopen. Ze overhandigen me een dichtgeplakte envelop en gaan weer terug naar de klas. Ik maak de envelop open.
Beste Cordula,
Wij zouden graag iets aan u willen vragen. Namelijk: zou de school misschien een keertje voor het luchtalarm mogen oefenen? Omdat we dachten: we oefenen altijd voor het brandalarm, maar nooit voor het luchtalarm. Het zou namelijk handig zijn om daar ook op voorbereid te zijn. Misschien kunt u er een beetje over nadenken en misschien vindt u het een goed idee.
Eronder staan hun namen en handtekeningen. Ze zijn elf.
Ik loop naar hun klas. Ze vertellen dat ze denken dat er oorlog komt, ook hier uiteindelijk. En ik weet niet wat ik moet zeggen. Lieg ik, en zeg ik dat er heus geen oorlog komt, omdat ik vind dat twee kinderen van elf daar niet bang voor horen te zijn? Of zeg ik dat het een goed idee is, want inderdaad, die oorlog komt er misschien wel? Ik zeg uiteindelijk maar dat we binnenkort wel weer een ontruimingsoefening kunnen doen, met het brandalarm.
Terug op mijn kamer ligt een stapeltje geprinte uitslagen van de doorstroomtoets klaar van een deel van onze leerlingen uit groep 8, uit de klas die ik zelf leidde tijdens de toets omdat er een gat zat tussen het begin van een zwangerschapsverlof en de startdatum van haar vervanger. Ik haal als eerste de leerling uit de klas die tijdens de toets zo zenuwachtig was geweest dat je haar af en toe kon zien bibberen. Ik was een paar keer naar haar toegelopen en had gezegd ‘Je kan het echt, vertrouw op jezelf’.
We lopen naar mijn kamer. Ze gaat naast me zitten. Ik laat het vel papier met de uitslag zien en zeg opgetogen: ‘Je hebt het hartstikke goed gedaan, er komt het advies uit dat wij je gaven: vmbo-t/havo!’ Ze duikt in elkaar. ‘Maar dan is alles voor niets geweest,’ zegt ze stilletjes. ‘Wat bedoel je?’ ‘Ik heb al twee jaar bijles, zelfs in de zomervakantie had ik bijles, en nou heb ik nog steeds geen hoog advies.’ De tranen springen in haar ogen. Ik praat wel een kwartier met haar, probeer haar aan haar verstand te peuteren dat dit een prima advies is, dat er niet zoiets bestaat als een hoog of een laag advies, dat ze trots moet zijn, dat ik supertrots op haar ben. Met hangende schouders loopt ze terug naar haar klas.
Een kleuter loopt haar tegemoet. Ze heeft een bakje in haar hand en huppelt, waardoor de houten bordjes in het bakje bijna over de rand heen dansen. ‘Cordula,’ zegt ze, als ze in mijn deuropening staat, ‘Ik kom een cijferlesje geven aan Lou. Mijn meester heeft mij net een lesje gegeven en zegt dat Lou ook een lesje nodig heeft. Dus niet voorlezen, maar een cijferlesje. Okee?’ Lou is een hond, mijn hond, die elke week een dag meegaat naar school om te worden voorgelezen. Ik kijk even naar de stapel werk die nog op mijn bureau ligt. ‘Okee?’, vraagt ze nog een keer vrolijk. ‘Tuurlijk is dat okee, kom maar binnen.’ Ze komt naar binnen en zet het bakje op de tafel. Lou springt van de stoel, kwispelt, duwt zijn neus zachtjes tegen haar hand en gaat braaf tegenover haar zitten.
‘Okee Lou, kijk, dit is de vier,’ zegt ze, en ze pakt uit het bakje een houten plankje met daarop een vier, en houdt het voor de ogen van Lou. Lou kijkt naar de vier. ‘En dit de twee,’ zegt ze bij een volgend plankje. ‘Snap je het?,’ vraagt ze aan Lou als ze alle cijfers van nul tot tien heeft gehad. Ze wacht even. ‘Ik denk het wel, he?,’ zegt ze dan, ‘en anders kom ik je morgen nog even een lesje geven.’ Ze draait zich om naar mij.
‘Doei Cordula.’ ‘Doei lieverd, dankjewel voor je lesje aan Lou. Ik ben nu tenminste weer vrolijk. Door jouw leuke lesje!’ Ze houdt haar hoofd schuin en kijkt me onderzoekend aan. ‘Was je dan verdrietig?’ ‘Misschien een beetje,’ zeg ik. ‘Oh!’, zegt ze. Ze is even stil. ‘Ken jij eigenlijk alle cijfers al?’ ‘Nou….’ zeg ik, en ik kijk vertwijfeld. ‘Zal ik jou ook een lesje geven?’ Ik knik. ‘Graag!’