De documentaireserie Klassen maakt heel wat los aan emoties en vragen, zoals: ‘Is je wieg niet te bepalend voor de (onderwijs)kansen die je krijgt in je leven?’ Achtstegroepers worden vlak voor het eindadvies voor het voortgezet onderwijs gevolgd. De timing van de serie is perfect gekozen nu de adviesgesprekken in groep 8 plaatsvinden. Toch rijst ook de vraag: hoe erg is kansenongelijkheid? En welke rol spelen ouders hierin?

Al sinds het begin van de 19de eeuw is kansenongelijkheid vaak de aanleiding om meer aandacht te geven aan de rol van ouders in het onderwijs, ook wel ’ouderbetrokkenheid’ genoemd. Wanneer ouders hun steentje bijdragen, zouden de ontwikkelingsachterstand bij leerlingen uit lagere socialere milieus sneller en beter ‘gerepareerd’ kunnen worden. Ouders die thuis met hun kinderen woordjes oefenen, helpen bij het huiswerk, enzovoort.

Ouders

In dat opzicht is het thuisonderwijs tijdens de lockdown ‘ouderbetrokkenheid optima forma’, zou je zeggen: ouders worden immers door de situatie gedwongen om hun kinderen te helpen bij het schoolwerk. Maar het tegendeel blijkt waar: de verschillen tussen leerlingen én ouders worden soms pijnlijk duidelijk. Sommige ouders helpen hun kinderen volop met het schoolwerk, andere niet of nauwelijks.

Tijdens trainingen vraag ik aan leerkrachten wel eens wat volgens hen een ‘ideale ouder’ zou zijn. Vrijwel altijd wordt ‘de ouder die realistisch naar zijn kind kijkt’ genoemd. Daarmee wordt verondersteld dat de school objectiever naar een kind kijkt dan de ouder. Anderzijds merken leerkrachten vaak op dat zij verstand hebben van het onderwijs, maar dat ouders hun kind het beste kennen. Hoe kan het dan dat veel kinderen uit zogenaamde kansarme milieus juist van de school een te laag schooladvies krijgen?

Normaal

We leven in een land dat niet meer normaal is. ‘Het is warmer dan normaal voor de tijd van het jaar’, beluisterde je regelmatig op de radio. Maar als ik hoor dat het op 3 januari 2021 buiten 12 graden is, is dát toch normaal voor 3 januari 2021? Wat wordt dan bedoeld met ‘normaal’? Op het consultatiebureau horen ouders:  “Uw kind is te lang of te dik voor zijn leeftijd.” En niet zelden gaat een dergelijke uitspraak meteen met een advies gepaard om naar een diëtiste te gaan, soms al bij kinderen van een jaar oud. “Mijn kind is niet normaal,” is de boodschap die ouders meekrijgen. Gek-makerij!

Het probleem is dat ‘normaal’ wordt verward met ‘gemiddeld’. Het woord ‘gemiddeld’ is een wiskundig begrip, de som van een aantal getallen gedeeld door het aantal getallen. Ook het woord ‘normaal’ komt in de wiskunde voor. Veel verschijnselen worden namelijk beschreven met behulp van de zogenaamde ‘normale verdeling’. Men praat dan over afwijkingen van een centrale waarde. Dat kan bijvoorbeeld een gemiddelde zijn. ‘Normaal’ is echter ook een woord dat in de ethiek wordt gebruikt, een morele standaard waar men van af kan wijken. We vinden dat terug in uitdrukkingen als: “Dat is toch niet normaal?” Of “Doe toch eens normaal!” Maar we zeggen niet: “Doe toch eens gemiddeld!” Voordat je het weet, wordt een kind dat afwijkt van het ‘gemiddelde’ (gewicht, leesprestatie enzovoort) bestempeld als ‘niet normaal’, in elk geval wordt dit gevoel gecreëerd.

Een leerling dat naar het vmbo-basis gaat mag, terwijl hij in groep 8 zit, met het leerstofniveau van eind groep 6 uitstromen. Het meten gebeurt vanaf groep 3 en daar ontstaat dus al een achterstand. Vanaf groep 3 hebben ouders al gehoord dat hun kind achterloopt (ten opzichte van het ‘gemiddelde’ kind in Nederland) en dat die achterstand alsmaar groter is geworden: “Uw kind is niet normaal.” En is er bij deze leerling dan sprake van kansenongelijkheid?

Het beste advies

Met een voorlopig mavo-advies van de basisschool mocht ik dankzij een slim toelatingssysteem van het Gomarus College in Groningen naar havo/vwo. Toen ik in groep 8 zat mochten we namelijk – heel stoer – een aantal zaterdagochtenden naar de middelbare school zodat ze een goed beeld van ons kregen. Het werd uiteindelijk vwo en ik was vastbesloten en gemotiveerd om daarna de pabo te doen. Maar eerlijk gezegd was mijn keus vooral ingegeven door faalangst om niet naar de universiteit te gaan. Mijn ouders hadden zelf nooit op een middelbare school gezeten, laat staan een vervolgopleiding gevolgd. Misschien was ik op mijn 19de naar de universiteit gegaan als ik in een ‘ander milieu’ was opgegroeid. Of ik dan net zoveel had geleerd? Als ouders hebben we bij drie van onze vier kinderen een lager niveau van voortgezet onderwijs gekozen dan de cito-eindtoets aangaf. Omdat we wisten dat dit beter voor hen was en dat is, zo beamen ze zelf achteraf, goed uitgepakt. De vraag is of we de ‘beste kansen’ niet verwarren met het ‘hoogst mogelijke schoolniveau’.

Achterstandswijk

We spreken over ‘taalachterstand’ of ‘laaggeletterdheid’, termen die medeburgers als ‘minder dan gemiddeld’ wegzetten. Ook kennen we het overheidsproject ‘Tel mee met Taal’ voor jong en oud. Als je de Nederlandse taal goed beheerst, tel je kennelijk mee. Op onze arbeidsmarkt worden tekorten aan technici voorzien. Desondanks spreken we niet over ‘timmerachterstand’ of ‘laaggeklustheid’ wanneer iemand niet zo handig is, en we hebben ook geen programma ‘Tel mee met je handen’. Ik schrijf gemakkelijk, maar mijn buurman verderop heeft dezelfde capaciteiten op het gebied van timmeren. Waar ik met woorden een tekst kan bouwen, bouwt hij met hout de mooiste tuinbanken en kasten, we waarderen elkaar en helpen elkaar waar nodig.

Ik ben opgegroeid in Delfzijl Noord, een wijk die men nu waarschijnlijk een ‘achterstandswijk’ zou hebben genoemd (de wijk is afgebroken): een wijk met ‘sociale huurwoningen’ en veel fabrieksarbeiders. Maar ik heb het als een ‘voorsprongwijk’ ervaren, groeide op tussen de eerste Marokkaanse en Turkse immigranten terwijl de rest van Nederland ze soms schuwde, onbekend maakt immers onbemind. Als puber zag ik hoe de Turkse buurman in de flat naast ons een schaap op zijn balkon slachtte en dat maakte me nieuwsgierig naar andere culturen. Het milieu waarin ik ben opgegroeid, had ik niet willen missen. Kansenongelijkheid stelt ons voor de vraag welke eisen we als maatschappij stellen aan kinderen en volwassenen, wat belangrijk is in het leven: een zo hoog mogelijk kennisniveau of het laten bloeien van ieders talenten. Laten we sowieso stoppen met kansloze termen als ‘laaggeletterdheid’ en ‘achterstandswijk’, want elk talent en elke wijk biedt specifieke kansen.

Klasse!

Iedereen dezelfde kansen is irreëel en wat een saaie boel zou het zijn wanneer we teveel hetzelfde worden. Ook kinderen leren net als volwassenen van tegenslag en kansenongelijkheid, al mag het creëren van ongelijke kansen natuurlijk geen doel worden. Het vraagt om leerkrachten die met hun expertise de gezonde spanning opzoeken met ouders die vanuit hún realisme het beste zoeken voor hun kind en vol overgave voor hun kind opkomen. Of zoals een Turkse moeder op Rotterdam Zuid eens tegen me zei: “Hier op school beginnen ze in groep 4 al te zeggen dat kapper ook een leuk beroep is. Daarom doe ik het tegenovergestelde en zeg ik steeds dat mijn kind naar het vwo moet. Zo ontdekken we samen het beste voor mijn kind.”

Leerkrachten hebben hun expertise en misschien te lage – volgens hén realistische – verwachtingen. Ouders komen op voor hun kind en hebben daarbij gelukkig (soms te) hoge verwachtingen, dat is hun rol. En die gezamenlijke zoektocht is klasse!

Leergang Ouderbetrokkenheid
Wil jij meer profiteren van de kennis expertise van Peter de Vries? Schrijf je in voor de leergang Ouderbetrokkenheid van AVS Academie. Vorm als school een ijzersterk team met ouders, zodat ieder kind optimaal kan leren in een veilig schoolklimaat. We laten je niet gaan zonder een gedegen plan, waarmee je een goede band en omgang smeedt met ouders.