Door: Cordula Rooijendijk | Bekijk archief

‘Kunnen we niet gewoon vertrouwen op onze professionaliteit? Is het nou echt nodig om extra aandacht te hebben voor diversiteit?’ Een directeur vraagt het me tijdens een lezing die ik geef over mijn nieuwste boek, ‘15 lessen die kleurrijke basisscholen ons leren.’ ‘Ja,’ vult haar collega aan, ‘voor mij is juist iedereen gelijk. Ik wil helemaal geen onderscheid maken. Kinderen doen dat toch ook niet?’

Dat was lange tijd ook mijn overtuiging.

Ik ben gepromoveerd wetenschapper, houd vakliteratuur behoorlijk bij (natuurlijk lang niet alles, het leven van een basisschooldirecteur is druk), lees twee kranten, volg publieke debatten in diverse media. Ik dacht dat ik voldoende kennis had over diversiteit en dat ik het daarom  best aardig deed als directeur. En ik dacht ook dat je de verschillen tussen mensen juist niet moet benoemen, zeker niet bij kleuters, want die staan nog zo onbevangen in de wereld, dat je daarmee alleen maar polariseert. Toch?

Totdat ik voor het eerst een kleurrijke school bezocht, en merkte dat ik van alles niet zag.

Je leefwereld bepaalt wat je wel en niet ziet. Ik ben geboren in de Bijlmer en opgegroeid in Amstelveen. Ik kom nooit in Amsterdam-West en heb geen islamitische vrienden. Mijn ouders zijn theoretisch opgeleid.

Ik presteerde het om twee jaar terug tijdens de ramadan een voorleesontbijt te plannen. Ik maakte een schoolgids met te veel tekst, en een website waar niet doorheen te komen was voor ouders die praktisch zijn opgeleid of voor wie Nederlands de eerste taal niet is. Ik dacht dat je nu eenmaal meer en minder betrokken ouders hebt. Ik dacht dat het goed was om op school alleen het gebruik van de Nederlandse taal te bevorderen. Ik had te weinig oog voor onze schoolbibliotheek waar nog weinig boeken waren waarin kinderen met een migratieachtergrond, kleurrijke kinderen of queer-kinderen zich in herkennen.

Tientallen kleurrijke scholen bezocht ik uiteindelijk. De leerkrachten en directeuren daar lieten me door hun brillen kijken, waardoor ik andere stukjes wereld ging zien. Door hen las ik wetenschappelijk onderzoek dat ik voorheen niet zag. Het mondde uit in dat boek.

De belangrijkste les? Ga koffiedrinken op een andere school die anders is dan die van jou. Haal ‘de ander’ jouw school binnen, zodat je leerlingen en je team kennismaken met mensen die anders zijn dan zij. Doe dat juist ook bij de kleuters, want uit onderzoek blijkt dat we de leerlingen juist dan moeten leren dat er verschillen bestaan tussen mensen – en dat dit oké is. Dat iedereen er mag zijn ongeacht huidskleur, culturele achtergrond, geslacht, sociaal-economische status, woonplaats, seksuele voorkeur, al dan niet gehandicapt en ga zo maar door.

Alleen dan leren we onze leerlingen vreedzaam samenleven, alleen dan ligt een toekomst zonder oorlogen in het verschiet. En is dat, met alles wat er nu gebeurt in de wereld, niet uiteindelijk ieders doel?