Voordat je verder leest, een kleine vrijtekening: ik begeef me hier weer op spiegelglad ijs. Ik wil graag een punt maken van iets dat vooralsnog ongrijpbaar lijkt te zijn, maar steeds meer alom aanwezig. De woorden zijn zorgvuldig gekozen, maar kunnen desondanks hard binnenkomen. Dat beoog ik niet, maar vrees dat ik het niet kan voorkomen, daar het geschreven woord vaak zo ongenadig en meedogenloos kan zijn. Vooral als we het op onszelf betrekken.

Deze kwaliteitscolumn gaat over ‘veiligheid’, een onderwerp dat ons allen aan het hart gaat, maar zo ongelooflijk divers wordt bezien. In dit schrijven beschouw ik veiligheid in eerste aanleg als de voorwaarde om vrijuit te spreken, vragen te stellen, te vinden, fouten te maken én ze toe te geven, zonder bang te hoeven zijn om gevierendeeld te worden op de brink of het stadsplein.

Die ‘veiligheid’ vind ik van tijd tot tijd erg ingewikkeld. Met name vanuit perceptief oogpunt.

Als vader van drie dochters en geliefde van Arie, vind ik het belangrijk dat in openheid alle voorliggende zaken op tafel kunnen worden gelegd. Dat echt alles besproken kan worden, met alle emoties daarbij.

Bij ons aan tafel wordt hard gelachen en net zo hard gehuild. Kijken we niet van op. Af en toe staat iemand op van tafel om even alleen te zijn, een sigaretje te roken of in het diepe niets te staren. Om daarna weer terug te keren aan tafel. We blijven in verbinding binnen een herkenbare familiestructuur, een die we samen hebben ontwikkeld en ons steeds houvast biedt. We grijpen er op terug als het spannend wordt, we voelen grond als we dreigen te struikelen. Soms vallen we, maar staan altijd weer op. Meestal eigenstandig, soms hebben we de arm van de ander even nodig.

Deze manifestatie van veiligheid past mij als een warme jas in een barre winter.

In mijn dagelijks werk draag ik diezelfde jas, sta ik dezelfde structuren voor, dezelfde openheid van zaken en draag ik het respect uit dat ik zelf ook wil ontvangen. Mijn werk bestaat uit het opzetten en zichtbaar maken van structuren waarbinnen onderwijsprofessionals alle ruimte hebben om het werk te doen. Waarbinnen ruimte is voor eigen inbreng, ontwikkeling en vernieuwing – alles erop gericht om het onderwijs te verbeteren.

De structuren zijn de kaders die vooraf bekend zijn, organisatieafspraken, werkafspraken en aangename gevoeglijkheid – we zijn immer ook mensen die graag op een goede manier met elkaar willen omgaan en gedijen op vriendelijkheid. Sturen op deze kaders, met ruimte voor autonomie en inspraak, vraagt om duidelijkheid en consequent gedrag. Vooral omdat we mensen zijn, moeten we elkaar kunnen wijzen op onduidelijkheid of inconsequentie.

En nu komt het: wanneer dat gebeurt, wordt steeds vaker de ‘veiligheidskaart’ getrokken. Bij het benadrukken van structuren, kaders en afspraken, bij het aanspreken van de ander – ook op respectvolle wijze – komt het steeds vaker voor dat de ander aangeeft zich onveilig te voelen. Waarmee vervolgens het gesprek ‘gegijzeld’ wordt.

Ik ben als veelbelovend leerkracht in 1912 weleens gewezen op het niet nakomen van speelpleinafspraken. Voetballen mocht niet in de pauze, veel te gevaarlijk voor andere kinderen. Toen ik het toch deed – omdat ik zelf graag een balletje trap – werd ik daarop aangesproken. Terecht. De verlegenheid die me toen overviel was geen onveiligheid, nee, het was het besef dat ik me niet aan de afspraken hield.

Los van daadwerkelijke onveiligheid – want die moet met wortel en al uitgeroeid worden – roep ik op om de percepties van veiligheid met elkaar te blijven afstemmen. Anders ben ik bang dat de veiligheid die nagestreefd wordt ons steeds in de kuiten bijt en we niet meer in gesprek komen.

Dan is veiligheid pas echt in het geding.