“Ach, ik was ook niet goed in rekenen, en ik ben ook goed terechtgekomen.” Een gevleugelde uitspraak die ouders kunnen doen, als het ware om de leerkracht gerust te stellen. We kunnen deze uitspraak negeren of ons er misschien aan storen (“Gunt een ouder zijn kind wel alle kansen?”). Maar we kunnen het ook interpreteren als een verrijkende opmerking om kinderen verder te helpen.

Diepere laag

Wanneer ik een dergelijke opmerking voorleg aan leerkrachten met de vraag hoe zij zouden reageren, dan krijg ik vaak de reactie dat ze ouders willen duidelijk maken dat ze hun kind los van zichzelf moeten zien om hun kind recht te doen. Zichzelf niet moeten projecteren op hun kind. De vraag is of je daarmee de ouder, maar vooral ook het kind, werkelijk recht doet. Want onder deze opmerking zit meestal een diepere laag, een andere boodschap die ouders willen overbrengen. In principe wil elke ouder namelijk dat zijn kind alles goed kan, mits het zich maar gelukkig voelt. En die geluksgrens wordt vaak bepaald door de gedachte: “Doe mijn kind niet aan wat mij zelf vroeger is overkomen.”

Toestemming

Vanwege de loyaliteit die een kind heeft naar zijn ouder, wil het zijn ouder nooit teleurstellen. Als een kind voelt dat zijn ouder rekenen kennelijk niet zo belangrijk vindt, bestaat de kans dat het kind minder zijn best doet voor rekenen. Een aantal voorbeelden hoe loyaliteit naar ouders kan werken:

  • Een leerkracht vertelde dat zij het vak Duits op de middelbare school had laten vallen terwijl ze Duits zo leuk vond, maar ze wilde haar ouders niet teleurstellen die de Tweede Wereldoorlog hadden meegemaakt. Op mijn vraag of haar ouders haar hadden verteld dat ze beter geen Duits kon kiezen antwoordde zij: “Nee, maar dat voelde ik gewoon aan.”
  • Een leerkracht vertelde dat zij haar zwemdiploma nooit had gehaald, want ze zag elke keer de teleurstelling van haar moeder wanneer zij iets bereikte wat haar moeder ook graag had gewild. Dan maar geen zwemdiploma.
  • Een aantal vakleerkrachten gym vertelden onlangs dat ze inderdaad kinderen zagen die ze nauwelijks aan het bewegen kregen ondanks hun capaciteiten. Hun ouders vonden gym niet zo belangrijk, lieten sommige kinderen weten.
  • Een leerkracht, dochter van twee artsen, kreeg van haar ouders consequent de boodschap mee dat zij zelf mocht kiezen wat ze wilde worden. “En toch voelde ik me schuldig dat ik geen medicijnen ging studeren.”
    In feite zou je het kunnen samenvatten door te zeggen dat een kind leert en zich ontwikkelt dankzij de “toestemming” van zijn of haar ouders.

Slaan

Een moeder op een school vertelde mij verontwaardigd dat “…kinderen hier op school niet mogen slaan.” Ik reageerde door te zeggen dat ik dat eigenlijk wel een normale regel vond. Ze antwoordde: “Onze zoon krijgt thuis een pak rammel als hij geen klap heeft uitgedeeld wanneer hij wordt gepest.” Daar is geen antipestprotocol of – programma tegen opgewassen, want dit kind krijgt nu eenmaal niet de toestemming om niet te slaan. In de meeste gevallen zal het eerder kiezen voor de normen en waarden van thuis. Het enige wat werkt is deze ouders te overtuigen dat zij achter de schoolregels gaan staan en proberen te begrijpen waarom deze ouders werkelijk menen dat wél slaan het beste zou zijn voor hun kind (misschien is vader of moeder zelf veel gepest op school).

Hoe dan?

Maar hoe kom je achter deze verhalen? Je hoeft geen maatschappelijk werker of psycholoog te zijn om belangstellend te vragen naar het schoolverleden van ouders. “Hoe ging het rekenen vroeger bij u eigenlijk op school? Vond u dat ook lastig?” Ook bij ouders die maar geen vertrouwen in de school lijken te krijgen, kan een wereld voor je opengaan wanneer je doorvraagt naar de schooltijd van henzelf. Wil je een kind werkelijk kennen, dan moet je ook zijn context kennen. En het geheim zit ‘m vaak in dat schoolverleden van een (van de) ouder(s).