Toen ik in de jaren tachtig op het vwo in Groningen zat, stonden er regelmatig docenten voor de klas die het simpelweg niet redden. Ik herinner me twee leraren die soms huilend de les verlieten. Niet omdat ze hun vak niet beheersten, integendeel. Ze waren juist aangenomen vanwege hun vakinhoudelijke kennis en hun didactische kwaliteiten. Dat was toen immers de kern van goed leraarschap.

Maar langzaam werd duidelijk dat dit niet genoeg was.

Leerlingen zijn namelijk geen lege vaten waarin kennis wordt gegoten. Ze brengen emoties, gedrag, onzekerheden, thuissituaties en groepsdynamiek mee de klas in. Goed lesgeven bleek daarom niet alleen een kwestie van didactiek, maar ook van pedagogiek. De docent moest niet alleen kennis kunnen overdragen, maar ook een veilig klimaat creëren, relaties aangaan en gezag ontwikkelen buiten de functietitel.

Het klassieke gezag, luisteren omdat iemand docent is, maakte steeds meer plaats voor pedagogisch gezag: gezag dat je moet waarmaken, uitstralen en onderhouden. Niet gebaseerd op macht, maar op rust, betrouwbaarheid, nabijheid en professionele stevigheid.

En misschien zitten we vandaag opnieuw midden in zo’n overgang: niet van leerlingen die simpelweg moesten gehoorzamen naar pedagogische bekwaamheid, maar van ouders die moeten doen en denken zoals wij dat voor ogen hebben naar parentagogische bekwaamheid.

Parentagogiek is een woord dat misschien nog onbekend klinkt, maar eigenlijk raakt aan de kern van goed onderwijs. Het richt zich op de professionele samenwerking tussen onderwijsprofessionals en ouders, altijd in het belang van de ontwikkeling van het kind.

De eerste rol is die van didacticus: de professional die leren mogelijk maakt.
De tweede rol is die van pedagoog: degene die een veilig opvoedkundig klimaat creëert.
De derde rol is die van parentagoog: degene die ouders begrijpt en professioneel met hen samenwerkt.

Dat vraagt ook dat we afscheid nemen van het beeld van de “ideale ouder”, de ouder die meedenkt, ondersteunt en zich gedraagt zoals de school het graag ziet. In werkelijkheid verschillen ouders enorm van elkaar in communicatie, vertrouwen, emoties en ervaringen met onderwijs. Parentagogisch handelen begint daarom niet bij oordelen, maar bij professioneel begrijpen.

Zolang we deze rol onvoldoende serieus nemen, blijven we sommige ouders vooral “lastig” vinden. Terwijl lastig gedrag van ouders vaak juist ontstaat waar spanning, onzekerheid, wantrouwen of niet-gezien-worden een rol spelen. Professioneel handelen begint dan niet met irritatie, maar met de vraag: wat gebeurt hier eigenlijk in deze relatie?

Misschien vraagt deze tijd daarom wel om een nieuw soort gezag richting ouders.

Geen hard of afstandelijk gezag, maar rustig en professioneel gezag. Respectvol, maar duidelijk en in je eigen kracht. Daar hoort ook begrenzen bij. Want professioneel samenwerken met ouders betekent niet dat alles bespreekbaar blijft op ieder moment of in iedere toon.

Want wanneer ouders zich gezien én begrensd weten binnen een veilige professionele relatie, ontstaat er een klimaat waarin samenwerking mogelijk wordt. En juist daar krijgen kinderen de beste kansen om zich te ontwikkelen.