Ferdinand

Toen ik gisteren aan mijn vriendin vroeg wat zij van mijn laatste column vond – het betrof een licht en luchtig stuk over de kleine ergernissen in het leven – keek zij wat verstoord op van de katern van de Volkskrant die zij aandachtig aan het lezen was.
‘Wil je het echt weten?

Dodelijk, zo’n vraag.

            Ik twijfelde. Alles in mij schreeuwde dat ik het niet wilde weten.
‘Laat haar rustig lezen in dat blad!’ riep mijn onderbuik.
‘Nee, je wilt het niet weten! Dat kun je niet aan!’ dreunde mijn achterhoofd.

‘Ja, vertel eens. Wat vond je ervan?’ antwoordde ik met benepen stem.

            ‘Je laatste column was rommelig en onsamenhangend. Het kende weinig richting, je gebruikte teveel woorden om uiteindelijk nauwelijks een punt te maken en hier en daar klonk je zelfs wat verzuurd. Nee, het was geen best stuk.’

            Ik hoorde het bloed suizen in mijn oren en zocht naar iets om me mee te snijden. Een boom om me aan te verhangen. Vol ongeloof keek ik naar de vrouw tegenover me aan de keukentafel. Een wildvreemde die, met een lichte glimlach rond haar mond, verder ging met lezen.

            In mijn werk in het onderwijs kom ik meer dan eens mensen tegen die me op uiterst beminnelijke wijze vertellen dat feedback een feestje is. Dat het spiegelen van elkaar een cadeautje is – ‘Je hoeft het alleen nog maar uit te pakken!’
Meestal pakken ze je dan ook nog even bij de arm.

Ik vertrouw ze niet.

            Net zo min vertrouw ik mensen die mij vragen:
‘En? Hoe vond je zelf dat het ging?’
Mijn docent Pedagogiek destijds had daar ook een handje van. Als ik zei dat mijn les echt niet liep, zag ze nog heel veel positieve punten. Vertelde ik dat ik zeer tevreden was, werd ik gefileerd met het meest botte mes. Althans, zo hakten haar vriendelijke woorden diep in mijn tere jongensziel.

Feedback vond ik verre van een feestje.

            Ik dacht lange tijd vooral te zien dat degenen die feedback gaven – de feestjes organiseerden, zeg maar – zelf het hardst toe waren aan feedback. Vooral wanneer het ging om het leveren van ongezouten kritiek op zaken die de ander helemaal niet aangingen of waar de kritiekgever nauwelijks verstand van had. Feedback is vooral niet het afzeiken van elkaar. Toen ik eens de spits van ons voetbalelftal wilde vertellen wat hij allemaal fout deed in de eerste helft, riposteerde hij dat ik een klap op mijn feedbek kon krijgen.

            Feedback geven én ontvangen is geen kinderspel, is een vaardigheid die geleerd moet worden. Het is een wezenlijk onderdeel van een professionele attitude en hoort bij een zelfbewuste (onderwijs)professional die blijvend in ontwikkeling wil zijn. Die door steeds beter te worden in zijn werk, zijn organisatie beter maakt. Feedback geven en ontvangen is het elkaar scherpen in de professionele uitvoer van het werk, is zich ontwikkelen in de kracht van elkaar. Feedback is absoluut geen feestje, zij is een voorwaarde om te kunnen groeien.

            Heel eerlijk gezegd: ik heb het moeten leren. Vaak zat mijn ego, mijn zelfgenoegzaamheid me danig in de weg.
‘Wie ben jij om mij te vertellen wat ik zou kunnen verbeteren?’ zong het dikwijls boosaardig door mijn hoofd.
Nee, ik vond het niet altijd even prettig. De cadeautjes legde ik vaak onuitgepakt in de onderste lade.

            Feedback is pas dan effectief als beide – de gever en ontvanger – openstaan voor elkaar en de wil hebben om van elkaar te leren. Dat kan ook ongevraagd zijn, mits de omgeving is ingericht op permanente ontwikkeling. Mits feedback gericht is op een nog diepere samenwerking, om samen te komen tot nog mooiere resultaten.

Feedback is namelijk geen eenrichtingsverkeer, zij is verbinding.

Mijn vriendin zat me gewoon te jennen. Ze zat duidelijk diep in haar PMS.
Of mijn laatste column was echt broddelwerk.

Dat zou ook nog heel goed kunnen.

9 januari 2020