Ferdinand

Even vooraf gezegd, ik zit alweer enige tijd diep in m’n gele kleur*. Vreselijk is dat. De gedachtes gaan alle kanten op, alles wordt van alle kanten bekeken. En als ik denk dat ik alles van alle kanten bekeken heb, bekijk ik het opnieuw van alle kanten. Het is alsof je in de supermarkt voor de ontbijtgranen staat en niet kunt kiezen. Zal ik nu voor de cornflakes gaan? Nee, daar gebruik ik altijd teveel suiker bij. Arie, mijn geliefde, heeft daar een mening over. Dan toch maar de cruesli met choco-brokken, maar die is niet goed voor mijn dikte.

Om te langen leste met beschuit de winkel te verlaten.

Niet te doen dit!

Nu probeer ik al enige tijd een oplossing te vinden voor het lerarentekort. Niet dat ik dat ooit in mijn eentje kan bedenken, maar mijn hoofd houdt niet stil.

Als we in het onderwijs nu eens niet uitgaan van een lerarentekort – het oplopende tekort aan goede directeuren laat ik hier even buiten beschouwing (ook een breinbreker van jewelste!) – maar van een tekort aan mensen? Mensen die meer dan geïnteresseerd zijn in het onderwijs, maar bijvoorbeeld nog heel erg jong zijn? Mensen die hun handen uit de mouwen willen steken en alles willen aanpakken wat aan te pakken valt?

En dat we dat eens als vertrekpunt nemen om ons collectieve denkvermogen – van de minister tot aan de mensen in de klas – daarop los te laten?

Wat zou ons dat NU kunnen opleveren? Omdat we namelijk nu heel erg omhoog zitten.

Want ook deze week zaten weer halve klassen – wat zeg ik, halve scholen – thuis te zitten. Veel zieken, maar geen vervanging meer. Omdat we eenvoudigweg geen mensen meer hebben. Tuurlijk, Corona heeft daar een loei van een aandeel in, maar ook in de tijden voor de wereldwijde uitbraak kwamen we overal handen te kort, schouders en rechte ruggen.

Als oudste zoon van een aannemer liep ik al op jonge leeftijd mee – vaak aan zijn hand – en leerde ik de kneepjes van de vele vakgebieden die de bouw rijk is. Zo leerde ik het metselen in verschillende verbanden, het stellen van hardhouten kozijnen en het bedienen van een heuse bouwkraan. Ik leerde ook dat je de bruine draad nooit moet verbinden aan de blauwe en dat die gele je leven kan redden, mits je niet op slippers loopt. Ik heb ook geleerd dat er geen veiligheidsslippers bestaan en roestige spijkers – drie-duims – er vlot doorheen gaan als een warm mes door boter. Ook leerde ik dat je eerst het water eraf moet halen, alvorens radiatoren afgekoppeld konden worden.

Veel van mijn leeftijdsgenoten liepen op deze manier mee in de bouw om gaandeweg te ontdekken waar hun interessegebieden lagen en waar zij zich verder in wilden bekwamen. Om dan specifiek voor een bepaald vakmanschap te gaan. Niet iedereen wilde timmerman worden, tegelzetter of stukadoor.

Dat ik gezien mijn keuze voor het onderwijs eigenlijk niet in dit voorbeeld pas, doet niet ter zake. Dat mijn vader liever mijn jongere broer meenam – die wel op goede schoenen liep – doet niets af van het punt dat ik onder de aandacht wil brengen.

Ik kon overigens buitengewoon metselen, ik deed er alleen drie weken te lang over.

Nee, het punt dat ik wil benoemen, is het volgende:

Als wij nou eens jonge, veelbelovende mensen met interesse voor het onderwijs werven als zij van de HAVO of het VWO komen en hen een vooropleiding aanbieden dat zich ergens qua inhoud en begeleiding ophoudt tussen ‘beroepsbegeleidend‘ en ‘beroepsopleidend’? Als wij hen eens laten meelopen in het onderwijs zoals wij vroeger meeliepen in de bouw? Door direct aan het werken te gaan en in het werk het vakmanschap eigen te laten maken – drie dagen werken, twee dagen naar school. En voor een aantrekkelijk salaris.

Dan heb je in mei, juni – na de examens in het VO – direct een bulk aan extra handen en wordt de aanstormende toekomst klaargestoomd voor het werk in het onderwijs. Welk vakgebied dat ook mag zijn. Want niet iedereen wordt timmerman, tegelzetter of stukadoor. Niet iedereen wordt leerkracht, onderwijsassistent, gedragsspecialist, intern begeleider, leerkrachtondersteuner of HB-specialist. Om maar een paar vakgebieden te noemen.

Natuurlijk moet dit idee verder doorgedacht worden en zullen er haken en ogen zijn. Want wanneer kun je je, na voldoende meegelopen hebben, verder gaan bekwamen in het nobele vak? Wanneer volgt de theoretische verdieping? Wat betekent dit voor de huidige opzet van de Pabo’s? Wat betekent dit voor het huidige werk van onze leerkracht? Hoe kunnen we dat ‘meelopen’ begeleiden, zodanig dat die extra handen ook verlichtend werken? Hoe worden die extra mensen – bussen vol – effectief ingezet, zodat het ook iets oplevert voor het tekort aan leerkrachten?

Beste mensen, is het een idee om nader te onderzoeken of moet ik mijn huisarts al bellen voor een verwijsbriefje?

* Volgens Management Drives © ben ik nogal een gele rakker, wil ik de wereld om mij heen begrijpen en zoek ik steevast naar creatieve oplossingen.