
Mijn 21-jarige dochter vertrok afgelopen herfstvakantie met een groep jongeren naar Bulgarije, waar ze zich inzette voor kinderwerk en hielp bij verschillende klussen. Toen ze thuiskwam, deelde ze een uitspraak die me raakte: “Pap, in Bulgarije is een baby van iedereen.” Daar is het heel gewoon dat je een baby mag vasthouden of met een peuter mag spelen zodra je een beetje bekend bent. De openheid en het vertrouwen spraken haar enorm aan. Wat een contrast met Nederland, waar je stickers kunt kopen voor op de kinderwagen met teksten als: “Lief om te zien, aanraken liever niet.” Achter zulke waarschuwingen schuilen waarschijnlijk pedagogische visies, die ons ook beïnvloeden in hoe we naar ouderschap kijken.
Er is waarschijnlijk geen school in Nederland te vinden die geen pedagogische visie uitdraagt waarin begrippen als ‘zelfstandigheid van de leerling’ en ‘eigenaarschap’ een centrale rol spelen. Volgens Pinto (2015) gaat het in onze cultuur om onze diepgewortelde focus op individuele zelfontplooiing. Deze nadruk op persoonlijke ontwikkeling hangt samen met onze behoefte aan erkenning, acceptatie en zekerheid. Dit staat in contrast met culturen waarin juist familie-eer, een goede naam en het welzijn van de groep vooropstaan. Het gaat hierbij niet om een waardeoordeel — de ene cultuur is niet per definitie beter dan de andere — maar om het onderkennen van verschil. Beide benaderingen brengen immers hun eigen kracht én uitdagingen met zich mee.
Toch durf ik te stellen dat we misschien zijn doorgeslagen in onze drang naar zelfstandigheid en eigenaarschap bij kinderen. Wat mij bijvoorbeeld opviel na de coronaperiode, is dat veel leerkrachten die met kleuters werken, aangaven dat deze periode het bewijs leverde dat kleuters prima zelf hun jas kunnen ophangen. Logisch ook: in onze overtuiging dat zelfstandigheid essentieel is, vinden we het belangrijk dat een kleuter dit soort taken zelf uitvoert. Maar missen we daarmee niet een ander, minstens zo belangrijk aspect van opvoeden? Namelijk dat we ook afhankelijk mogen zijn van elkaar? Dat we leren door samen te werken, door hulp te vragen als we iets nog niet kunnen? Waarom leggen we zoveel nadruk op zelfstandigheid? Leiden we kinderen daarmee niet – misschien onbedoeld – op tot individualisme, terwijl juist verbinding en samenwerking fundamentele vaardigheden zijn in het leven?
Is het niet juist veelzeggend voor onze cultuur dat we termen als ‘curlingouders’ gebruiken? (In een eerdere blog schreef ik al over hoe misplaatst dat begrip is.) Want als we in onze maatschappij het ideaal van zelfstandigheid zo centraal stellen, dan wordt elke ouder die – in onze ogen – nét iets te veel obstakels voor zijn kind probeert weg te nemen, al snel als ‘verkeerd bezig’ bestempeld. Maar is dat oordeel wel eerlijk? En wat zegt het over onze kijk op opvoeden?
Ga eens na of in het beleidsplan expliciet aandacht wordt besteed aan opvoedingsdoelen die gericht zijn op onderlinge hulp en samenwerking – en of deze even zwaar wegen als zelfstandigheid en eigenaarschap. En is er binnen de school voldoende begrip voor de beweegredenen van ouders die – vaak onterecht en wat denigrerend – als ‘curlingouders’ worden bestempeld? Begrijpen we waar hun bezorgdheid vandaan komt?