Afgelopen vrijdag 29 september ‘23, op de 10e Landelijke IKC-dag, heb ik gehoord dat samenzijn en samenwerken in één gebouw alleen kan op basis van gelijkwaardigheid.

Ik wist niet dat dat een punt van aandacht was.

Tien jaar geleden ben ik gaan samenwonen met Arie. In hetzelfde huis. Hoewel we dat best spannend vonden, hebben we geen haalbaarheidsonderzoek gedaan, er is geen risico-analyse gemaakt. Ik nam wel een enorm risico, vooral vanwege dat foeilelijke servies van Arie. Het bruine servies – Arabia en oud – moest mee. Er viel niet te onderhandelen daarover, het was van haar stiefvader geweest. Ikzelf was heel duidelijk over mijn grote gele stoel met chromen onderstel. Als de stoel niet meeging in het samenkomen met elkaar, ging ik ook niet mee.

            ‘’t Is geven en nemen, Arie!’ zei ik, zo duidelijk mogelijk, ‘De stoel gaat mee, anders gaat het feest niet door.’

Arie vond dat ik in deze vooral heel veel nam en dat zij de gever van ons twee was. Het was niet nodig om een tegenhanger te hebben wat betreft haar servies. Of ik eigenlijk wel wilde samenwonen.

En daarmee is de vergelijking weer gemaakt met het professioneel samenzijn in een IKC. Ondanks het lelijke servies en mijn mooie gele stoel was er wel de absolute wil om te gaan samenwonen en er iets van te maken. Hoe we ook liepen te steggelen met elkaar, we bleven elkaar leuk vinden. Er was een gelijkwaardig debat over hoe we het gingen doen, we richtten geen aparte slaapkamers of koffiehoekje in. Ons terras was voor gemeenschappelijk gebruik en als ik brood en eieren had gekocht, mocht Arie daar ook van eten. Deed ik niet moeilijk over.

Ik herinner me ineens, terwijl ik deze column schrijf, dat er indertijd een aanvraag op mijn bureau lag, er moest een tweede toegangshek komen voor de opvang. De ouders moesten steeds over het schoolplein lopen om hun kinderen bij de opvang te brengen.

Ik herinner me ineens sessies waarin we nadachten over een gebouw voor meerdere gebruikers – drie scholen, opvang en samenwerkingsverband. Prachtige samenwoonpartners waartussen liefde tot bloei kon komen. Ik zag iets moois voor me, met tuinen eromheen, witte duiven in de lucht, eekhoorntjes op het grasveld en overal het geschal van vrolijke kinderstemmen.

Totdat er gesproken werd over drie speelpleinen, met hekken ertussen.

Afgelopen vrijdag hoorde ik verhalen over de werking van IKC. Het fenomeen IKC is in beginsel natuurlijk prima, behalve als er zonder idee wordt samengewoond. Dan wordt een IKC snel een verzamelgebouw, waarin het ‘samen’ zich manifesteert in het hebben van één koffieapparaat. Dan is ‘samen’ niet meer dan toevallige ontmoetingen in het keukentje.

IKC is ook niet hetzelfde als een multifunctioneel gebouw met de tussendeuren op slot en ramen afgeplakt. Waar kinderopvang ergens in een hoek zit en een deel van het plein mag gebruiken als de kinderen van de school weer naar binnen zijn.

IKC is de resultante van ‘volstrekt samen’ – samen met alle partners in hetzelfde gebouw. IKC is voorbij eigen belang, is samen vanuit waardering – weten wat het werk van elkaar inhoudt. IKC is vanuit ‘volstrekt samen’ aandacht hebben voor datgene wat ons allen bindt en samenhoudt: het kind en diens ontwikkeling.

We hebben allemaal, vanuit onze eigen expertise, daar een evenwaardig aandeel in. Wij allen hebben, vanuit onze eigen opdracht, een wezenlijk aandeel om in gezamenlijkheid een rijke omgeving te creëren, waar het kind zich wentelt in aandacht en waardering, waarin het gedijt. En daarmee iedereen om het kind heen. Wij dus.

IKC werkt alleen als we het volstrekt samen doen – onderwijs, kinderopvang, jeugdzorg, welzijn, gemeente, het mannenkoor*, wat ook nodig is – met elkaar. Dat maakt het samenwonen in één gebouw ook veel leuker.

En het kan. Arie en ik wonen al 10 jaar samen, zonder dat er slachtoffers gevallen zijn.

* ik maak geen grap