Ferdinand

Vanmorgen viel Givano met zijn oor op de rand van de groepstafel. Givano is vier en zijn pijngrens is navenant. Zijn oorbelletje had een kleine wond achter zijn oor gemaakt, waardoor er sprake was van bloed. Givano zelf dacht dat zijn oor eraf was.

Bloed en kleuters zijn niet de beste vrienden van elkaar.

Ik zat in mijn kantoor belangrijk werk te doen, na te denken over de toekomst en waar het toch allemaal heengaat met het onderwijs, toen Yasmine hard op het glas van de deur bonkte. Buiten adem en met ogen als schotels probeerde Yasmine te vertellen wat er allemaal in de klas gebeurd was. Uit haar woorden begreep ik dat Givano heel veel bloed verloren had, dat hij heel veel pijn had en dat de juf mij NU nodig had.

Dan laat je alles uit handen vallen.

Ik blokkeerde voor de rest van de dag mijn agenda, stelde ‘Out of office’ in en rende achter Yasmine aan.

In de klas trof ik een juf in volkomen rust aan. Ze vertelde dat Givano inderdaad gevallen was, dat het een beetje bloedde en dat het haar verstandig leek om toch even moeder te bellen. Of ik dan even, hooguit vijf minuten, de groep kon overnemen.

            ‘Ze gaan net eten en drinken, dus dat scheelt,’ zei de juf bij de deur.

            ‘Ah, prima,’ antwoordde ik opgelucht, ‘Lees ik onder het eten gezellig een stukje voor uit ‘De kleine mol’.’ *

De juf hoorde me al niet meer.

Ik keek de klas rond en zag dat de stoeltjes al in een kring stonden.

            ‘Oké, jongens en meisjes, pak allemaal jullie broodtrommeltje en drinkbeker van het aanrecht en zoek je stoel op.

Zestien paar ogen keken naar de deuropening, daar waarin hun juf verdwenen was. Samen met Givano, die bloed had.

In plaats van zijn beker pakte Luuk het stoeltje van Givano en zette deze aan een tafeltje, ergens achterin de klas.

            ‘Die komt toch niet meer terug,’ bromde hij.

Janine pakte tissues van het aanrecht en begon de vloer schoon te maken, daar waar Givano gelegen had. Enes vond dat zijn trommeltje te vies was om open te maken en wilde ermee naar het toilet. Charlotte begon te zingen over een rendier, haar vriendinnetje Sofia neuriede mee. Vrij hard.

Ze hebben me niet gehoord, dacht ik nog.

            ‘Jongens, kom op, op jullie stoelen! Dan kan ik gaan voorlezen!’

Opnieuw nul reactie. Althans, niet de gewenste. Daan liet zijn nieuwe schoenen zien aan Samuel en Morzal ging op handen en voeten – want ze was een paard – naar de prullenbak. Want er moest een bruine bananenschil worden weggegooid. Met de banaan er nog in. Maas vroeg wanneer de juf weer terugkwam en Saïd ging de bouwhoek in. Die zich ergens op de gang bevond.

Ondertussen zat geen enkele kleuter op de stoel.

            ‘Nou, hup! Op jullie stoelen!’

Er zat enige fermheid in mijn stem, ingegeven door een groeiend ongeduld. Ik klapte er ook bij.

Toen ineens stond Yousra naast me, met dikke tranen. Ze pakte mijn bovenbeen vast en snikte dat ze naar haar moeder wilde. Al mijn fermheid verdween.

            ‘Wat is er, Yousra?’

            ‘Ik wil naar mama!’ zei ze zachtjes, tussen al haar tranen door.

Ik streek door haar zwarte krullen en ging zitten. Of de rest nou wel of niet op de stoel ging zitten, kon me eigenlijk niet meer schelen. Yousra moest eerst getroost worden.

Op datzelfde moment gingen alle kleuters zitten en aten zwijgend, terwijl ze naar Yousra keken, hun meegebrachte boterhammen op. Of chocokoek in cellofaan, partjes mandarijn in aluminium, geschilde komkommer aan een satéprikkertje – er is een wereld te ontdekken in het broodtrommeltje van een kleuter.

Nadat Yousra, getroost en al, ook op haar stoeltje zat, kwam de juf binnen. De zojuist gevonden orde en rust in de klas vervloog als deodorant in een bovenbouwgroep, de kleuters sprongen van de stoel af en renden naar hun juf – die zojuist teruggekeerd was van een wereldreis.

            ‘Waar was je toch?’

            ‘Waarom was je zolang weg?

            ‘Waar is Givano?’

Op haar hurken gaf de juf geduldig antwoord op alle vragen en dirigeerde de kinderen terug op hun stoel. Zonder dat ze het doorhadden.

Hoe deed ze dat? Met open mond staarde ik naar het wonder, dat zich voor mij voltrok.

De juf was niet langer dan vijf minuten weggeweest. Voor de kinderen én voor mij een eeuwigheid.

Toen ik terugliep naar mijn kantoor, overviel me een diepe, diepe bewondering voor de kleuterjuf.

* ‘Over een kleine mol die wilde weten wie er op zijn kop gepoept heeft’. Van Werner Holzwarth (2002). Heerlijk boek!