Met oud en nieuw heb je als schoolleider toch altijd een klein stemmetje in je achterhoofd: is alles rustig op school? Gaat het gebouw de jaarwisseling ongeschonden door met al dat vuurwerk? Gelukkig liep het voor mijn scholen dit jaar goed af. Dus begon ik na de kerstvakantie weer vol frisse energie.

Ik geloof niet zo in goede voornemens, maar stiekem is toch de Kerstvakantie altijd een moment van bezinning. Een soort natuurlijk ijkpunt. Ik maak dan altijd, net zoals in de zomervakantie, de balans op en je denkt na. Wat ga ik anders doen? Meer tijd voor onderwijskwaliteit, meer de klassen in, meer ruimte voor m’n team, meer aandacht voor mijn eigen ontwikkeling, minder werkdruk. Vaak het bekende lijstje dat de revue weer passeert.

Dus vol frisse energie en ideeën startte ik weer op 5 januari. Of nou ja… dat was het plan. Er kwam nog weinig van terecht. Fris was het zeker, maar dan in de vorm van het weer. Gladheid, storm, en heel veel sneeuw. Het soort weer dat je weer even met beide benen op de grond zet. Wordt het code geel, code oranje? Berichten van ouders, appjes van collega’s en die ene vraag die mij het meeste tijd kostte: gaat de school open? Terwijl ik die ochtend stoer naar school reed bedacht ik dat ik vast niet de enige schoolleider ben die zo denkt.

Wat doen we bij code oranje? In het maatschappelijke debat over onderwijs wordt ook vaak gesproken over code oranje, of zelfs code rood. In de Tweede Kamer hebben ze het regelmatig over de kwaliteit van het onderwijs, gelijke kansen en de druk op scholen. Debatten, moties en beleidsbrieven laten zien dat er zorgen zijn over basisvaardigheden, personeelstekorten en de houdbaarheid van het systeem. Die zorgen worden vaak versterkt door de internationale PISA-resultaten. De laatste meting liet zien dat Nederlandse leerlingen gemiddeld lager scoren dan bij eerdere metingen, met name op lezen en rekenen. Ook de verschillen tussen leerlingen met verschillende sociaal-economische achtergronden blijven groot. Dat zijn signalen die aandacht vragen, en terecht.

Maar net zoals bij het weer geldt ook hier: een storm betekent niet automatisch dat alles slecht is. Ik vind het namelijk helemaal niet zo slecht gaan in het onderwijs. Want wie dagelijks in scholen rondloopt, ziet namelijk ook iets anders. Bevlogen leraren die blijven staan, zelfs als het stormt. Teams die samenwerken, leren en zoeken naar beter onderwijs, juist voor de kinderen die dat het hardst nodig hebben. Scholen die niet omwaaien, maar hun koers vasthouden. Code oranje vraagt niet om paniek, maar om professioneel handelen. Alert zijn. Blijven kijken. Afwegen. Handelen.

Daar zie ik ook een opdracht voor ons als schoolleiders. In tijden van storm zijn wij geen weermannen, maar zoutstrooiers die koers houden. Die ruimte maken voor professionalisering, een lerende cultuur. Niet uit angst, maar uit vakmanschap. Die blijven investeren in reflectie, onderhoud en samen leren, juist als het stormt.

In mijn scholen zie ik dat elke dag gebeuren: teams die extra investeren in lezen, een brugfunctionaris die ouders beter weten te bereiken, collega’s die ondanks tekorten blijven samenwerken en elkaar opvangen. Geen grote krantenkoppen, wel dagelijkse professionaliteit die werkt. Wat mij betreft mag dat ook wat vaker te zien zijn in het maatschappelijke debat. Niet door problemen te ontkennen, maar door vaker te benoemen wat wél gewoon werkt. Wat wél overeind blijft. Wat wél vooruitgaat. Want dat verhaal verdient minstens zo veel aandacht als de waarschuwingen.

Daarom heb ik toch één goed voornemen dit jaar: ik probeer mijzelf nog meer in te zetten voor code groen. Laten we weer vertrouwen hebben in de mensen die het vak dragen. Ja, het kan flink stormen, maar mijn school (en vast ook jouw school) staat als een huis. En daar mogen we trots op zijn!