Ferdinand

In ons vakantiehuisje leest Arie ‘Socrates op sneakers’ van Elke Wiss. Ze heeft er slecht van geslapen.

            Gisteravond, toen ik aandachtig op mijn iPad naar de kwalificatie van Max Verstappen keek, wilde ze weten of wij, onderwijsmensen van nu, het vak Filosofie hebben gehad op de opleiding. Je zou denken, zo redeneerde ze, dat in de hedendaagse didactiek voldoende ruimte zou moeten zijn om de leerlingen zelf de antwoorden op hun vragen te kunnen laten vinden.

Terwijl Max de pole-position pakte, dacht ik na over de vraag. Op halfslachtige wijze – dikke tip: nooit Formule 1 kijken en antwoord geven op moeilijke vragen – probeerde ik uit te leggen dat er wel wat meer filosofie in onze didactiek zou mogen. Ik nam mezelf hierin als referent. Want ik kon mij niet heugen dat ik ooit ‘de goede vraag’ had gesteld aan een van mijn leerlingen.

            ‘Verbaast mij niks,’ zei Arie, terwijl ze zichzelf een rode wijn inschonk, ‘Jij kan nog niet eens een ‘open vraag’ stellen.

Soms slaat de kilte van andermans mening me harder in het gezicht dan me lief is. Arie ging verder met lezen, ik probeerde vertwijfeld nog iets te volgen van Max.

Vanmorgen vertelde Arie waarom ze zo slecht geslapen had. En dat het met Socrates te maken had.

            ‘Je hebt de kachel aangelaten en ik heb de hele nacht daarover liggen woelen!’

            ‘Werd het te warm in dit huisje?’ vroeg ik haar.

            ‘Nee, dat was het niet.’

            ‘Vond je het vervelend dat de kachel is aangebleven, qua kosten en zo?’

            ‘Ja en nee!’

Ik nam een slok koffie en dacht na over haar ‘ja en nee’; waarschijnlijk was dat een Socrates-antwoord. Je kan dan nog alle kanten op.

            ‘Ik heb vannacht liggen denken op welke manier Socrates zou vragen waarom jij gisteravond de kachel niet op de waakvlam hebt gezet.’

Ik keek haar aan.

            ‘Misschien omdat ik het gewoon vergeten ben?’

            ‘Nee, Socrates zou vast een manier gevonden hebben om de vraag te kunnen stellen, vrij van oordeel en sturing.’

De hedendaagse didactiek zou er goed aan doen om voldoende ruimte te genereren om eigen antwoorden te kunnen vinden, vrij van oordeel of richting. Vrij van jezelf.

En daar zit mijn manco – onbarmhartig blootgelegd door Arie. Want kan ik, vrij van mezelf, kinderen begeleiden in hun ontwikkelingsproces? Kan ik, vrij van mezelf, hen de antwoorden laten vinden op al hun vragen?

            Op welke manier zou Socrates zelf antwoord hebben gegeven op specifieke ontwikkelingsvraagstukken – wetende dat de antwoorden al ergens zijn? Welke vraag stelt Socrates als het kind vergeet op welke manier breuken door elkaar te delen zijn, dat er afgedroogd mag worden als er afgewassen wordt? En dat vieze sokken bij de was mogen worden gegooid en niet onder het bed? Welke vraag stelt Socrates als het kind vergeet dat zijn woorden een ander kind pijn kunnen doen?

Socrates zou mij in ieder geval gevraagd hebben waarom ik die kachel niet heb uitgedaan. Ben ik van overtuigd. Tegelijkertijd vliegt het me nu aan dat ik de kinderen, die indertijd bij mij in de klas hebben gezeten, weinig filosofisch benaderd heb. Ik ben bang dat mijn manier van begeleiden een hele platte is geweest:

            ‘Jongens, die kant op!’

De hoogste tijd om dat boek van Elke Wiss er eens bij te pakken. Misschien valt er links er rechts nog wat te herstellen.