
De verhalen die volgen zijn waargebeurd. De namen zijn gefingeerd.
Mijn eerste jaar voor de klas gaf ik les in een combinatiegroep drie/vier. Op het eerste tienminutengesprek over Matthijs kwam zijn vader. Onzeker als ik was (die eerste keer tienminutengesprekken voeren waren best spannend) zei ik tegen hem: “Het gaat nog niet zo lekker met het lezen van Matthijs.” Vader keek me aan en zei: “Ach ja, je bent ook net van de pabo af, hè.” En voordat ik kon reageren voegde hij eraan toe: “En je bent het afgelopen jaar ook nog in dienst geweest.” Ik ben deze opmerkingen pas veel later gaan begrijpen. Eigenlijk zei hij zoiets als: “Ik weet heus dat mijn kind niet zo gemakkelijk leest, maar heb jij wel genoeg ervaring om hem te begeleiden? En ben je er ook niet te lang uit geweest door je diensttijd?”
Mijn tweede baan was op een LOM-school (nu Speciaal Basisonderwijs). Op een ochtend voor de lessen begonnen, stond de moeder van Jochem in mijn klaslokaal. “We hebben al een kistje uitgezocht.” Verbaasd keek ik de moeder van Jochem aan. De dag ervoor had ik Jochem in de klas gehad, omdat zijn groep verdeeld moest worden vanwege een griepepidemie. “Een kistje?” “Ja,” antwoordde ze boos, “als jij zo doorgaat, komt hij in een kist te liggen.” Ik was me werkelijk van geen kwaad bewust en kon me ook niet herinneren dat er iets fout was gegaan tussen Jochem en mij. Ik was van slag door zo’n heftige reactie en liep meteen naar onze intern begeleider en vertelde hem het verhaal.
Zijn eerste reactie? “Ach ja, dit is nog de enige taal die de moeder heeft om na al haar ervaringen in het onderwijs iets duidelijk te maken.” “Ja maar…,” begon ik. Mijn collega viel me meteen in de rede: “Natuurlijk kunnen we dat niet accepteren, maar het is wel goed om te begrijpen waarom ze zo doet.” Jochems moeder was nog op school en hij haalde haar er meteen bij. We gingen in een kantoortje zitten en mijn collega vroeg: “Heb je dit echt gezegd?” “Ja,” antwoordde moeder. “Dat mag je nooit weer doen, dat gaat echt te ver,” zei hij resoluut. Moeder bood haar excuses aan. Mijn collega vervolgde: “Maar wat wilde je eigenlijk zeggen?” Ik bleek een grappige opmerking te hebben gemaakt naar Jochem die hij niet begreep, en Jochem dacht dat ik hem niet leuk vond, voelde zich afgewezen.
Sommige zinnen van ouders vragen wat vertaalwerk, want ze zijn verruwd door diepe emoties van bijvoorbeeld angst, verdriet en misschien wel schuldgevoel: “Komt het wel goed met mijn kind? Ik móet nu ingrijpen!” enzovoort. Van mijn collega leerde ik in een paar minuten dat begrijpen en begrenzen hand in hand gaan. Ouders kunnen over je heen lopen als je vooral probeert te begrijpen zonder te begrenzen. Maar als je alleen begrenst zonder te begrijpen, krijg je al gauw gedoe.