Bruggenbouwers

Over een soepele overgang naar de middelbare school

De overstap van de basisschool naar de middelbare is al generaties lang een spannende. De Onderwijsraad gaf aan dat dit beter kan en ook in het coalitieakkoord worden brede brugklassen en het uitstellen van het schooladvies gezien als een manier om de kansenongelijkheid te verkleinen. Ondertussen zijn er al volop bruggenbouwers in het onderwijs bezig om de landing voor bruggers zo comfortabel mogelijk te maken.

“We merken dat er vraag is naar ons tussenjaar”, vertelt Gerrit Minzinga, directeur van Oecumenische Basisschool Ichthus. De school startte vorig jaar de Intermezzoklas met 15 leerlingen. “Intermezzo kan veel betekenen voor leerlingen die cognitief of sociaal-emotioneel nog niet klaar zijn voor de volgende stap: de middelbare school. Vaak zijn het thuiszitters. Leerlingen die het vertrouwen in het onderwijs hebben verloren en het zicht kwijt zijn op wat ze nou eigenlijk kunnen.”
Het Intermezzo-lesaanbod is vraaggestuurd, legt Minzinga uit, want: “de leerling is er niet voor de school, de school moet er zijn voor de leerling.” De groep werkt niet met methodes. Leerlingen gaan aan de slag met hun persoonlijke leerdoel. Een hoogopgeleid team (een academisch geschoolde pabo-docent, een onderwijskundige en een orthopedagoog) helpt hen dat te formuleren.

Samenwerking op alle niveaus

De leerlingen verdiepen en verbreden hun kennis van de stof van groep 8 en kunnen ook vakken volgen, zoals onderzoeken & ontwerpen, programmeren of kunst. Een dag per week geeft een eerstegraads leraar uit het voortgezet onderwijs (vo) les in Nederlands, aardrijkskunde en geschiedenis. Daarnaast kunnen de Intermezzo-leerlingen kennismaken met wiskunde, filosofie of een vreemde taal.
Minzinga wil nog intensiever samenwerken met het voortgezet onderwijs, vertelt hij. “De aansluiting is heel belangrijk. We werken aan het empoweren van leerlingen, we zien dat hun zelfvertrouwen groeit. Als ze dan na een jaar plotsklaps in het vo-systeem worden gezet, kan dat een harde landing zijn. Omdat wij willen dat ze zacht landen, zijn we op bestuurlijk en operationeel niveau in gesprek met een schoolbestuur.”

Een kleine school in een school

Voor Minzinga zelf is de dynamiek als schoolleider anders dan op een reguliere school zonder Intermezzo-klas. “Dit is vanuit passie bedacht en vanuit vertrouwen ontstaan. Maar we zijn de brug aan het belopen, terwijl we hem aan het bouwen zijn. Om een eenduidige boodschap te kunnen afgeven aan leerlingen, ouders, teamleden, de Inspectie van het Onderwijs en andere stakeholders, moeten we consolideren en goed definiëren wat Intermezzo precies is. Ik ben daarin de gamekeeper. Ik moet zeggen: dit is het.”
Anders dan Intermezzo is het Brugjaar Jan Ligthart ondergebracht bij het voortgezet onderwijs. Het is een aparte afdeling van het Arnhemse Olympus College, met negen klassen en zo’n 200 leerlingen. Deze voorziening is niet echt nieuw te noemen, vooruitstrevend, dat weer wel: het Brugjaar bestaat al meer dan 60 jaar (!). De leerlingen die dit tussenjaar volgen, doen dat in een eigen schoolgebouw met een eigen speelplaats.
“Het is een kleine school in de school”, vertelt Anouk Derksen, conrector van het Olympuscollege. “Heel veilig. De leerlingen volgen middelbare schoolvakken, vooral om vaardigheden aan te leren. Het tempo ligt een stuk lager. Eenmaal in een reguliere brugklas hebben ze naast een kleine voorsprong vooral meer zelfvertrouwen. Leerlingen krijgen iedere dag een hulples: een training (mindset, faalangst of assertiviteit), extra rekenen of taal, computervaardigheden. Het kan van alles zijn. Net wat de leerling nodig heeft.”

Aanleren schoolse vaardigheden

Leerlingen worden stapsgewijs voorbereid op het voortgezet onderwijs, vertelt Derksen. “Ze hebben lesroosters, leswisselingen, een klassencoach en een kluisje. Soms gaan ze even kijken op de middelbare school. Dan volgen ze bijvoorbeeld een praktijkles en gaan dan weer terug naar Jan Ligthart. Aan het eind van het jaar weet een leerling hoe het is om op een middelbare school te zitten.” ‘Een’ inderdaad, en dus niet: ‘de’. Door het grote voedingsgebied van het Brugjaar (met zelfs leerlingen uit Nijmegen, Doetinchem en Zutphen) stromen veel leerlingen uit naar middelbare scholen bij hen in de buurt.

Leerlingen kiezen voor dit Brugjaar om verschillende redenen, aldus Derksen. “Sommigen hebben nog even tijd nodig om sociaal-emotioneel te rijpen. Andere leerlingen zijn faalangstig of hebben een vervelende basisschooltijd gehad. Er zijn leerlingen die een ADHD-diagnose hebben gekregen en komen oefenen om daarmee om te gaan. Wij begeleiden kinderen heel gericht. Er zijn ook leerlingen die cognitief nog een slag willen slaan, zij komen een reken- of taalachterstand wegwerken.” Eenmaal op de middelbare school stromen de leerlingen minder vaak af en blijven ze minder vaak zitten.
Het Brugjaar Jan Ligthart is verrijkend voor de rest van de school, vertelt Derksen. “Het heeft een eigen lerarenteam, maar er zijn ook leraren die op andere afdelingen lesgeven. Dit geeft hen meer inzicht in het belang van het aanleren van schoolse vaardigheden.” Hoe zou je de overgang van basis- naar de middelbare school nog meer kunnen versoepelen? “Ik heb vooral last van de strikte scheiding tussen primair en voortgezet onderwijs in het Nederlandse systeem. De focus van leraren op de basisschool is anders. Ik zou graag leraren uit het primaire onderwijs in mijn team willen opnemen om te zorgen voor meer vermenging, maar zonder tweedegraadsbevoegdheid kan ik deze mensen niet aannemen.”

Klaar om te kiezen?

Een uitgesteld schooladvies? Daar kunnen de leerlingen van 10-14 over meepraten. Zij krijgen hun definitieve schooladvies pas in klas 2, als ze 14 jaar zijn. Daarna stappen ze over naar het derde jaar van een ‘reguliere’ middelbare school. “Bij Onderwijsroute 10-14 krijgen kinderen de kans een vervolgopleiding te kiezen op het moment dat ze het echt weten wat het best bij hun ontwikkeling past. De leerlingenpopulatie op onze school is divers. 10-14 helpt leerlingen die bijvoorbeeld nog niet in staat zijn hun potentieel te bereiken. We geven deze tieners de kans om aan het werk te gaan en eventueel te versnellen. Kinderen die bij ons gemotiveerd zijn voor leren, voelen dat we om hen heen staan. Maar als een leerling thuis helemaal vastzit, ongemotiveerd is en wij het vuurtje niet kunnen vinden, dan staat ook bij ons de ontwikkeling stil.”
Aan het woord is Annelies Robben, Netwerkregisseur Onderwijsinnovatie en oprichter van het concept Onderwijsroute 10-14 in Zwolle. “Onze leerlingen krijgen les in heterogene stamgroepen met alle leeftijden door elkaar. Een onderwijsteam (vakexperts en andere professionals uit het primair en voortgezet onderwijs) begeleidt deze kinderen.” De 10-14-leerlingen volgen workshops in kernvakken als taal en rekenen en werken aan projecten. De focus ligt op onderzoekend leren, er is aandacht voor reflecteren, kritisch en creatief denken, zelf oplossingen zoeken, geloven in eigen mogelijkheden. Een persoonlijke coach helpt bij het maken van keuzes.
Er is volgens Robben veel behoeften aan de tussenweg die onderwijsroute 10-14 biedt. “Leerlingen hebben tegenwoordig veel eerder dan vroeger toegang tot allerlei kennisbronnen, maar ons onderwijssysteem kent voor iedereen nog steeds eenzelfde mal. Kinderen ontwikkelen zich snel en zijn vaak ondernemend. Al voordat de bovenbouw van de basisschool in beeld komt, kijken ze soms al naar het voortgezet onderwijs. Ze weten wat ze leuk en moeilijk vinden. Een kind kan bijvoorbeeld goed zijn in bètavakken en minder sterk in Nederlands. Op basis daarvan wordt uiteindelijk vaak gekozen voor het veilige midden op het voortgezet onderwijs, terwijl je ook zou kunnen gaan voor een passend lesaanbod op de middelbare school, zodat de leerling zich op zijn eigen niveau verder ontwikkelt.”

Vroege kennismaking

“De systeemwereld van het Nederlandse onderwijs is nog niet klaar voor ons concept,” stelt Robben. “We hebben twee cao’s en beschikken nog niet over een eigen BRIN-nummer. Hierdoor is het voor bijvoorbeeld de Inspectie van het Onderwijs best complex om zicht te krijgen op ons onderwijs, al zijn ze doorgaans erg positief.” Robben ziet dat 10-14 zeker niet alleen kinderen met een lage sociaaleconomische status helpt. “Er zijn ook kinderen in Vinex-wijken met twee werkende ouders die na schooltijd alleen thuiskomen en dan ligt de afleiding van de Playstation en Netflix op de loer. Ook zij kunnen profiteren van onze onderwijsroute.”
Naast tienerscholen en scholen die leerlingen met specifieke behoeften een extra jaar bieden, zijn er ook ‘gewone’ basisscholen die door intensieve samenwerking met het voortgezet onderwijs de overstap voor álle leerlingen proberen te versoepelen. Gerda Mulder, directeur van Basisschool Graaf Reinald in Gorinchem, zet zich hiervoor in. Het faseonderwijs dat haar school biedt, vergemakkelijkt de kennismaking met het voortgezet onderwijs, legt ze uit. “We werken met fases van een half jaar. Omdat kinderen bij ons per 1 februari kunnen beginnen met groep 1 hebben ze in principe acht jaar later hun basisschoolprogramma afgerond. Deze leerlingen gaan vanaf februari drie dagdelen per week naar de middelbare school om aan doorlopende projecten te werken op het niveau van hun voorlopig advies.”
Zo kunnen ze alvast aan de middelbare school wennen. De eerste kennismaking met het voortgezet onderwijs is voor leerlingen van deze Gorinchemse basisschool dan al een jaar eerder begonnen. “Vanaf de tweede helft van groep 7 gaan alle leerlingen regelmatig op bezoek bij middelbare scholen. Daar maken ze kennis met nieuwe vakken, ze zien de leraren en de gebouwen. Ze bezoeken alle schooltypen, ongeacht hun voorlopig advies.”

Totaal geen invloed

Om ook de doorstroom in de lijn van 10 tot 14 jaar zo vloeiend mogelijk te maken, krijgen leerlingen in groep 6 al een voorlopig advies. Vanaf dan gaan we met de kinderen verkennen: wat wil je, waar sta je nu en wat vind je lastig? Samen kijken we wat er nodig is om ambities waar te maken. Elk halfjaar kijken we met de leerling en zijn ouders naar de doelen, en waar een leerling dan staat.”
Basisschool Graaf Reinald valt onder de Stichting voor Openbaar Verenigd Onderwijs, waarvan zowel basis- als middelbare scholen deel uit maken. Mulder: “Daarvan profiteren we. Onze ‘OVO Soepele Overstap-aanpak’ drijft op veel contact en uitwisseling tussen de primair en voortgezet onderwijs.” Belangrijke troef? De warme contacten tussen de basisschoolleraren en intern begeleiders aan de ene kant en de brugklas- en zorgcoördinatoren van de middelbare scholen aan de andere kant. Een garantie op succes biedt dit echter alles niet. Mulder: “Van de puberteit tot het gezin waarin een leerling opgroeit: er gebeurt zo veel in het leven van een kind, waar je als school totaal geen invloed op hebt.” En daardoor blijft de overgang van basis- naar middelbare school misschien altijd wel een beetje spannend.

Tips voor een zachte landing
• Anouk Derksen: “Het primair onderwijs bereidt de leerlingen goed voor op het voortgezet onderwijs, maar de focus ligt op de cognitie. Wij zien leerlingen op de middelbare school vooral vastlopen op schoolse vaardigheden. Hoe werkt een agenda, hoe organiseer je je schoolwerk? Het zou goed zijn als po en vo elkaar wat meer zouden opzoeken en hierin samenwerken.”

• Annelies Robben: “Al doe je als basis- en middelbare school maar één project samen, dan help je al om de overgang te verkleinen. Zorg bijvoorbeeld bij Nederlands en Engels voor een doorlopende leerlijn. Laat basisschoolleerlingen vast kennismaken met een leraar in het vo, of laat een basisschoolleraar rekenles in het vo geven.”

• Gerrit Minzinga: “Bedenk eerst wat je wilt, dan of het kan, en vervolgens of het ook mag. Vaak beperken mensen hun creativiteit door eerst te kijken naar wat kan en mag, en vergeten wat ze nu echt willen. Dit gaat zowel op voor leerlingen als mensen die werkzaam zijn in het onderwijs”

Interessant?
Dit artikel stond in KADER , het vakblad voor schoolleiders, dat AVS-leden exclusief ontvangen. Wil jij KADER ook op de deurmat hebben? Word lid of abonnee, ontvang voortaan een kersvers exemplaar in de brievenbus en versterk de positie van schoolleiders.